Regenwater infiltratie berekenen: zo doe je het stap voor stap

Om de benodigde infiltratiecapaciteit te berekenen, heb je drie gegevens nodig: het dakoppervlak dat je aansluit (in m²), het overige verhard oppervlak zoals oprit of terras (in m²), en de hoeveelheid regenwater in millimeters die je wilt opvangen. Met die drie getallen kun je exact bepalen hoe groot je infiltratievoorziening moet zijn, bijvoorbeeld een wadi, infiltratiekrat of grindkoffer.

De zoekintentie achter dit onderwerp is een stappenplan: de meeste mensen willen weten hoe ze zelf de berekening uitvoeren, zodat ze de juiste capaciteit kiezen voordat ze een systeem aanschaffen of laten aanleggen. Hieronder staat de volledige methode, inclusief een rekenvoorbeeld.

De basisformule voor infiltratie berekenen

De benodigde bergingscapaciteit bereken je met de volgende formule:

Volume (liter) = oppervlakte (m²) × neerslag (mm)

Omdat 1 mm neerslag op 1 m² gelijk staat aan 1 liter water, is de omrekening eenvoudig. Stel dat je een dak van 80 m² en een oprit van 30 m² wilt afkoppelen, en je wilt een regenbui van 30 mm kunnen verwerken. Dan is de berekening:

  • Dakoppervlak: 80 m² × 30 mm = 2.400 liter
  • Oprit: 30 m² × 30 mm = 900 liter
  • Totaal benodigde berging: 3.300 liter

Dit is het volume dat je infiltratiesysteem moet kunnen verwerken voordat het water in de bodem is weggezakt. Hoe snel dat weggezakt is, hangt af van de infiltratiesnelheid van de bodem op jouw locatie.

Infiltratiesnelheid van de bodem meenemen

De bodemsoort bepaalt hoe snel het water wegzakt, uitgedrukt in meters per dag (m/dag) of millimeters per uur (mm/u). Zandgrond laat water snel door: reken op zo’n 100 tot 500 mm per uur. Kleigrond is veel trager: soms maar 1 tot 5 mm per uur. Op klei heeft infiltratie vaak weinig zin, of vraagt het een veel grotere voorziening.

Een eenvoudige manier om de infiltratiesnelheid thuis te meten: graaf een gat van circa 30 cm diep en 30 cm breed, vul het met water en kijk hoe snel het waterpeil daalt. Daalt het water in een uur met 10 mm, dan is je infiltratiesnelheid 10 mm/u. Is het gat binnen een kwartier leeg, dan zit je op zanderige grond met een goede doorlatendheid.

Als de bodem traag infiltreert, moet je infiltratiesysteem een grotere tijdelijke berging hebben, zodat het water langer kan worden vastgehouden totdat het langzaam wegzakt. Bij snelle bodem kun je volstaan met een kleinere voorziening.

Rekenvoorbeeld met infiltratiekratten

Infiltratiekratten zijn de meest gebruikte oplossing bij particulieren. Een standaard infiltratiekrat heeft een inhoud van ongeveer 300 liter. Voor het voorbeeld van 3.300 liter hierboven heb je dan minimaal 11 kratten nodig. In de praktijk wordt vaak een marge van 10 tot 20% toegevoegd voor piekregen, wat neerkomt op 12 tot 13 kratten.

Wil je ook de afvoersnelheid meenemen? Gebruik dan de volgende aanvullende berekening:

  • Bepaal het oppervlak van de bodem van de krat (in m²)
  • Vermenigvuldig dit met de infiltratiesnelheid van de bodem (in mm/u, omgezet naar m/u)
  • De uitkomst is het volume dat per uur wegzakt (in m³/u of liter/u)

Stel: je kratten hebben samen een bodemoppervlak van 6 m² en de bodem infiltreert 20 mm/u (= 0,02 m/u). Dan zakt er 6 × 0,02 = 0,12 m³ = 120 liter per uur weg. Bij 3.300 liter bergingscapaciteit is het systeem na circa 27 uur volledig leeg, ruim binnen de vuistregel van 24 tot 48 uur die gemeenten vaak hanteren.

Welke neerslaghoeveelheid gebruik je als uitgangspunt?

De meest gebruikte norm in Nederland is een bui van 20 tot 30 mm in 24 uur. Dit komt overeen met een zogenoemde T=10 bui: een regenbui die statistisch gezien eens per 10 jaar voorkomt. Sommige gemeenten schrijven voor op welke neerslaghoeveelheid je moet ontwerpen, dus check dit bij jouw gemeente of waterschap voordat je begint.

Wil je extra zekerheid, of vraagt de gemeente een zwaardere bui? Gebruik dan 40 of zelfs 60 mm als uitgangspunt. Je krat wordt groter, maar je systeem overstroomt minder snel bij extreme neerslag.

Veelgemaakte fouten bij de berekening

Een veelgemaakte fout is het vergeten van het hellingspercentage van het dak. Een mansardedak heeft een groter werkelijk oppervlak dan de projectie op de plattegrond, maar voor de waterberekening gebruik je de horizontale projectie, dus het grondoppervlak dat het dak afdekt. Dat is eenvoudiger te meten en geeft het juiste resultaat.

Een andere valkuil: doorlatende bestrating meetellen als volledig verhard oppervlak. Halfopen klinkers of waterdoorlatende tegels laten al een deel van het water direct door. Je kunt dan een reductiefactor toepassen van 0,5 tot 0,8, afhankelijk van het type verharding.

Tot slot: vergeet de overloop niet. Elk goed infiltratiesysteem heeft een noodoverloop die bij extreme buien het overtollige water veilig afvoert, bij voorkeur naar het riool of een sloot. Zonder overloop loopt het systeem over en staat je tuin of kelder blank.

Met de juiste gegevens is de berekening voor regenwater infiltratie goed zelf te doen. Meet je dakoppervlak en verharding op, check de doorlatendheid van je bodem, kies een neerslaghoeveelheid als uitgangspunt en reken het benodigde volume uit. Twijfel je over de bodemsoort of stelt de gemeente specifieke eisen? Vraag dan een bodemonderzoek aan of leg de berekening voor aan een installateur of de gemeente zelf.

Scroll naar boven