Infiltratiekrat berekenen: zo bepaal je hoeveel je nodig hebt

Om het aantal infiltratiekratten te berekenen, ga je uit van 40 liter buffercapaciteit per vierkante meter afwaterende oppervlakte. Tel de oppervlakte van je bestrating en je dakoppervlak bij elkaar op, vermenigvuldig dat met 40 liter, en je weet de totale inhoud die de kratten moeten kunnen opvangen. Hieronder zie je stap voor stap hoe dat in de praktijk werkt.

De berekening stap voor stap

De benodigde buffercapaciteit hangt af van drie dingen: het dakoppervlak, de oppervlakte van de verharding, en de hoeveelheid regen waarvoor je wil bufferen. De meestgebruikte vuistregel is 40 liter per vierkante meter afwaterend oppervlak. Dat is gebaseerd op een flinke regenbui van ongeveer 40 millimeter, een hoeveelheid die in Nederland bij hevige buien voorkomt.

Reken het zo uit:

  • Stap 1: meet je dakoppervlak (bv. 50 m²)
  • Stap 2: meet je verharde oppervlak dat afwatert naar het krat (bv. 30 m²)
  • Stap 3: tel beide op: 50 + 30 = 80 m²
  • Stap 4: vermenigvuldig met 40 liter: 80 × 40 = 3.200 liter benodigde capaciteit

Een infiltratiekrat heeft meestal een inhoud van 300 liter (een veelgebruikt standaard formaat). Bij 3.200 liter benodigde capaciteit heb je dan: 3.200 ÷ 300 = circa 11 kratten nodig. Rond altijd naar boven af.

Rekenvoorbeeld met verschillende oppervlakten

Totaal afwaterend oppervlak Benodigde capaciteit (× 40 L) Aantal kratten van 300 L
40 m² 1.600 L 6 kratten
60 m² 2.400 L 8 kratten
80 m² 3.200 L 11 kratten
100 m² 4.000 L 14 kratten

Let op: kratten komen ook in andere formaten voor, zoals 150 liter of 450 liter. Controleer altijd de exacte inhoud van het krat dat jij kiest, zodat je het juiste aantal bestelt.

Wat telt mee als afwaterend oppervlak?

Niet elk oppervlak rekent even zwaar mee. Een schuin dak watert anders af dan een vlak dak of een oprit. In de praktijk gebruik je het horizontale projectieoppervlak: de dakoppervlakte zoals je die van bovenaf zou zien, niet het daadwerkelijke schuine dakoppervlak. Voor verharding zoals tegels, klinkers en beton neem je de volledige oppervlakte mee die richting het infiltratiesysteem afwatert. Gras en onverharde tuinen laat je weg; die nemen water op in de bodem.

Een valkuil is het vergeten van de oprit of het terras aan de zijkant van het huis. Kijk goed welke oppervlakten echt afwateren naar de plek waar je het krat plaatst, en laat de rest buiten de berekening.

Invloed van de bodem op het benodigde aantal kratten

De berekening hierboven gaat ervan uit dat het water ook daadwerkelijk de bodem in kan. Bij slecht doorlatende grond, zoals zware klei, infiltreert water langzamer. In dat geval is het verstandig om iets meer buffer aan te houden dan de minimale berekening aangeeft, zodat het systeem ook bij opeenvolgende buien goed blijft functioneren. Bij zand of leem werkt infiltratie doorgaans prima met de standaard 40 liter per m².

Twijfel je over de doorlatendheid van jouw grond? Graaf een gat van circa 30 centimeter diep, vul het met water en kijk hoe snel het wegzakt. Zakt een liter in minder dan een minuut weg, dan is de doorlatendheid goed. Duurt het veel langer, overleg dan met een aannemer over extra capaciteit of een overloopoplossing.

Met de formule (oppervlakte in m² × 40 liter, gedeeld door de inhoud van één krat) kom je in de meeste gevallen goed uit. Rond altijd naar boven af en houd rekening met de kwaliteit van je bodem voor je definitief bestelt.

Scroll naar boven